Startlening of Cofinanciering: 3% rente of €50.000 extra?

|Auteur: Redactie van QUASA|5 min. leestijd
Startlening of Cofinanciering: 3% rente of €50.000 extra?

Voor een Vlaamse technologische starter die de vereiste eigen middelen kan inbrengen, is de Startlening van PMV doorgaans de goedkopere route: maximaal €100.000 tegen een vaste rente van 3% voor wie nog moet starten of hoogstens vier jaar actief is. Een technologisch product verplicht de onderneming niet om een speciale innovatielening te kiezen.

De Cofinanciering voor innovatieve starters heeft een leenplafond van €150.000, dus €50.000 meer dan de Startlening, en een vaste rente van 4,5% bij hoogstens een jaar uitstel van kapitaalaflossing. Deze variant is bedoeld voor de marktintroductie van innovatie en vereist een erkende cofinancier die minstens 20% van de totale financieringsbehoefte draagt. Welke lening haalbaar is, hangt daardoor minstens zo sterk af van de projectfase en de beschikbare financieringsmix als van het leenplafond.

Hoeveel moet er naast de PMV-lening liggen?

Bij de Startlening bedraagt de eigen inspanning volgens de voorwaarden van PMV minstens 25% van het gevraagde krediet. PMV leent maximaal viermaal die inspanning, met het algemene leenplafond als tweede grens. In een project dat uitsluitend uit eigen middelen en deze lening wordt betaald, kan de Startlening dus hoogstens vier vijfde van het budget dekken. Een erkende cofinancier is voor deze route geen vaste voorwaarde.

Voor de innovatievariant moet de aanvaardbare eigen inbreng minstens even groot zijn als het gevraagde PMV-krediet. Die inbreng kan ook uit geschikt kapitaal of quasi-kapitaal van investeerders bestaan; daarnaast is de bijdrage van een erkende cofinancier nodig. Dat kunnen bijvoorbeeld een bank, fonds, crowdfundingplatform of aangesloten investeerders zijn. De oprichter hoeft dus niet noodzakelijk zelf het volledige bedrag van de eigen inbreng te storten, maar moet wel aantonen waar het geld vandaan komt en onder welke voorwaarden het beschikbaar is.

Bij een business angel vraagt de indeling aandacht. Volgens de toelichting van PMV geldt de bijdrage van een angel uit een erkend netwerk als cofinanciering; een bijkomend, aan het PMV-krediet achtergesteld deel kan ook als eigen inbreng meetellen. Hetzelfde bedrag kan niet tegelijk de volledige cofinanciering en de vereiste eigen inbreng vullen. In de voorbeelden hieronder blijven die geldstromen daarom afzonderlijke posten.

Drie financieringsbehoeften, drie verschillende uitkomsten

De volgende verdelingen zijn voorwaardelijke rekenvoorbeelden voor een project waarvan alle genoemde uitgaven binnen de regeling vallen. Ze laten zien hoeveel geld uit elke bron moet komen als het budget alleen uit de genoemde posten bestaat. Ze zeggen niets over de kredietbeslissing of de voorwaarden die een externe financier aan zijn bijdrage verbindt.

  • €75.000 nodig. Een Startlening van €60.000 kan worden aangevuld met €15.000 eigen inbreng. Bij de innovatievariant past een verdeling van €30.000 PMV-krediet, €30.000 aanvaardbare eigen inbreng en €15.000 erkende cofinanciering. Die laatste bijdrage is een vijfde van het totale budget. De innovatievariant levert in dit voorbeeld een lagere PMV-lening op en vereist bovendien een externe partij.
  • €100.000 nodig. Met €20.000 eigen inbreng kan een Startlening van €80.000 het budget sluiten. Voor de innovatievariant vormen €40.000 PMV-krediet, €40.000 aanvaardbare eigen inbreng en €20.000 erkende cofinanciering een mogelijke verdeling. Wie wel €20.000 eigen middelen heeft maar geen geschikte medefinancier, kan het eerste plan rond krijgen, terwijl het tweede plan nog een financieringsgat heeft.
  • €150.000 nodig. Een Startlening kan in een eenvoudig plan €100.000 bijdragen, naast €50.000 eigen middelen. Voor de innovatievariant is een verdeling mogelijk van €60.000 PMV-krediet, €60.000 aanvaardbare eigen inbreng en €30.000 erkende cofinanciering. Het plafond van €150.000 voor de PMV-lening betekent dus niet dat PMV een project met een totale behoefte van €150.000 volledig kan financieren.

Het verschil tussen plafond en bruikbaar krediet wordt nog duidelijker bij een grotere aanvraag. Als PMV in de innovatievariant €150.000 zou lenen en de drie financieringsposten gescheiden blijven, is minstens €150.000 aanvaardbare eigen inbreng nodig. De erkende cofinancier moet dan minstens €75.000 bijdragen om een totaalbudget van €375.000 voor minstens 20% te dragen. Dat is een rekenkundige ondergrens voor deze financieringsmix, geen aanbod van PMV.

Welke voorwaarden sluiten een route uit?

  • Ondernemingsleeftijd. De Startlening richt zich op wie nog moet beginnen of hoogstens vier jaar als zelfstandige in hoofdberoep actief is. Voor een vennootschap wordt ook naar de positie van de aandeelhouder-bestuurder gekeken; alleen de oprichtingsdatum van de vennootschap vertelt dus niet het hele verhaal. De innovatievariant is gericht op innovatieve starters en zeer jonge ondernemingen.
  • Cashflow. Voor de innovatievariant mag op het moment van aanvraag nog geen positieve cashflow bestaan. Een onderneming met positieve kasstromen kan daardoor eerder bij de reguliere Cofinanciering passen. Ook zonder huidige positieve cashflow moet het financieel plan voor de innovatievariant toekomstige terugbetalingscapaciteit aannemelijk maken.
  • Productfase. Voor de innovatievariant moet de testfase afgerond zijn en markttractie aantoonbaar zijn. Onderzoek en ontwikkeling van een product dat nog in ontwikkeling is, komt in beginsel niet in aanmerking. Aanpassingen aan een werkend product voor concrete klantbehoeften worden anders beoordeeld dan onderzoek en ontwikkeling.
  • Inbreng en medefinancier. Ontbreekt bij de Startlening de vereiste eigen inspanning, dan begrenst dat direct het mogelijke krediet. Bij de innovatievariant zijn zowel voldoende aanvaardbare eigen inbreng als een erkende cofinancier nodig. Een toezegging van een willekeurige investeerder is nog geen erkende cofinanciering.

Wanneer weegt de hogere rente op tegen het hogere plafond?

Een starter die het benodigde bedrag met een Startlening en aanvaardbare eigen middelen kan dekken, heeft daarmee de lagere standaardrente en hoeft geen erkende cofinancier voor deze lening te vinden. De rente alleen bepaalt de totale kosten niet: bij de innovatievariant tellen ook de prijs en voorwaarden van de externe financiering mee. Bovendien stijgt de vaste rente van die variant als de periode zonder kapitaalaflossing langer duurt dan een jaar.

De innovatievariant past vooral bij een onderneming die al een commercialiseerbaar product en markttractie heeft, maar nog geen positieve cashflow, én die de vereiste investeerder en erkende cofinancier kan mobiliseren. Voor een onderneming met positieve cashflow bestaat daarnaast de reguliere Cofinanciering van PMV, met andere bedragen en voorwaarden. Zo bepaalt de fase van de onderneming mede welke regeling passend is; het hoogste gepubliceerde leenplafond is op zichzelf geen beschikbaar budget.

Lees ook:

Delen:

Abonneer je op onze nieuwsbrief

Ontvang het laatste nieuws over Web3, AI en crypto rechtstreeks in je inbox.

0