68% van Nederlandse werknemers mist de AI-winst

|Auteur: Redactie van QUASA|5 min. leestijd
68% van Nederlandse werknemers mist de AI-winst

PwC Nederland publiceerde op 29 september 2026 de Nederlandse resultaten van Hopes & Fears 2026: van bijna 1.300 ondervraagde werknemers valt 68% in de groep die weinig voordeel van AI ervaart en beperkte toegang heeft tot leren, ontwikkeling en innovatie. Hoewel 54% in het afgelopen jaar AI op het werk gebruikte, behoort slechts 7% tot de koplopers die er veel voordeel uit halen. De uitkomsten maken zichtbaar waarom toegang tot AI alleen de kloof tussen die groepen niet dicht.

Wie profiteert, hangt samen met vaardigheden én met het werk waarin AI wordt ingezet. Werknemers hebben gelegenheid nodig om toepassingen te leren kennen, uitkomsten te beoordelen en taken aan te passen. De percentages beschrijven wat werknemers zelf over gebruik en voordeel rapporteren; ze meten geen gerealiseerde productiviteitswinst per bedrijf. Voor de grote achterblijvende groep gaat het dus om meer dan toegang tot een nieuwe toepassing.

AI gebruiken is iets anders dan er dagelijks mee werken

Het verschil tussen incidenteel gebruik en een vaste werkwijze is in de Nederlandse antwoorden groot. Van degenen die in het afgelopen jaar AI gebruikten, zet 22% generatieve AI dagelijks in. Voor AI-agents ligt het dagelijks gebruik binnen die gebruikersgroep op 7%. Dat laatste percentage gaat over gebruiksfrequentie en mag niet worden verward met de eveneens 7% Nederlandse koplopers: de ene maat telt dagelijks agentgebruik, de andere deelt werknemers in naar hun bredere positie.

Generatieve AI kan bijvoorbeeld worden gebruikt om documenten samen te vatten of een e-mail op te stellen. Agents komen volgens de Nederlandse onderzoeksresultaten vaak nog voor bij specifieke processen, zoals werving. Wie zo’n hulpmiddel af en toe opent, kan daar gemak van hebben zonder dat de eigen taak of het werkproces verandert. Regelmatig gebruik biedt meer momenten om mogelijkheden en grenzen te leren kennen, maar bewijst op zichzelf evenmin een hogere kwaliteit of productie.

De kopgroep en de grote achterblijvende groep

De indeling kijkt tegelijk naar de vraag naar iemands vaardigheden op de arbeidsmarkt en naar zelfgerapporteerd voordeel van AI. De wereldwijde onderzoeksopzet van PwC is gebaseerd op 49.364 antwoorden uit 48 landen en regio’s, verzameld in mei en juni 2026, en combineert die twee dimensies tot vier groepen. Voordeel omvat daarin onder meer ervaren winst in kwaliteit, creativiteit en vaardigheden. Iemand kan dus veelgevraagde expertise hebben zonder ver gevorderd AI-gebruik, of juist actief met AI werken terwijl die expertise minder schaars is.

Die indeling verklaart waarom koplopers en achterblijvers samen niet de hele beroepsbevolking vormen. De overige werknemers bevinden zich in de twee andere combinaties van vaardigheden en AI-voordeel. Dat onderscheid is relevant voor opleiding: een ervaren specialist die AI nog weinig inzet heeft een andere leervraag dan iemand die er al vaak mee werkt maar minder perspectief heeft op doorgroei. Ook voorkomt het dat iedereen die wel eens AI gebruikte automatisch als winnaar van de verandering wordt geteld.

De Nederlandse groep die weinig voordeel ervaart is groter dan de overeenkomstige groep in het internationale onderzoek; omgekeerd is de Nederlandse kopgroep kleiner. Dat zijn uitkomsten voor verschillende populaties, geen twee schattingen van hetzelfde nationale aandeel. Bovendien steunt de indeling op antwoorden van werknemers over hun ervaringen. Zij laat zien hoe ongelijk de toegang tot kansen is, maar stelt niet vast welk afzonderlijk bedrijf of welke maatregel het verschil heeft veroorzaakt.

Opleiding bereikt juist de grote groep moeilijk

Toegang tot leren is een concreet knelpunt achter de kloof. Minder dan de helft van de Nederlandse respondenten zegt voldoende toegang te hebben tot leer- en ontwikkelmogelijkheden. Dat cijfer geldt voor alle Nederlandse deelnemers, terwijl de internationale analyse specifiek naar de grote achterblijvende groep kijkt. In IT Pro’s verslag staat dat slechts ongeveer twee op de vijf werknemers in die internationale groep toegang zeggen te hebben tot de leermiddelen die zij nodig hebben; PwC’s wereldwijde workforceleider Pete Brown waarschuwt daarin: “There is a real risk that the global workforce is starting to move at different speeds.”

Die waarschuwing gaat over het verschil in kansen tussen werknemers. Voor werkgevers in Nederland en Vlaanderen maakt de afbakening van de cijfers uit: de internationale scholingskloof geeft context, terwijl de Nederlandse uitkomst laat zien hoe beperkt de toegang tot ontwikkeling hier wordt ervaren. Opleiding die boven op het bestaande werk komt, kan bovendien de werkdruk verhogen. Leertijd binnen het werk is daarom een wezenlijk onderdeel van de voorgestelde verandering.

Taakontwerp bepaalt of toegang in voordeel verandert

Een cursus kan kennis over een toepassing vergroten, maar het werk moet ook ruimte bieden om die kennis te gebruiken. Als taken, verantwoordelijkheden en controlemomenten gelijk blijven, kan AI naast het bestaande werk terechtkomen. Dan vraagt de nieuwe werkwijze extra tijd terwijl werknemers weinig gelegenheid krijgen om te ontdekken welke handelingen zinvol veranderen. De internationale analyse verbindt de verwachte opbrengst daarom aan het opnieuw inrichten van rollen, werkprocessen en prikkels, naast opleiding.

Voor de achterblijvende groep betekent dat leertijd bij taken waarvoor AI bruikbaar is, met duidelijke afspraken over wie de uitkomst beoordeelt. Voor koplopers speelt een andere vraag: of zij ruimte krijgen om nieuwe werkwijzen vorm te geven en zich verder te ontwikkelen. Zo verschuift voor werkgevers de aandacht van hoeveel mensen een toepassing kunnen openen naar wie daadwerkelijk gelegenheid krijgt om het werk ermee te verbeteren.

Lees ook:

Delen:

Abonneer je op onze nieuwsbrief

Ontvang het laatste nieuws over Web3, AI en crypto rechtstreeks in je inbox.

0