Technologie versnelt de fabriek, maar 70% beslist niet mee

|Auteur: Redactie van QUASA|5 min. leestijd
Technologie versnelt de fabriek, maar 70% beslist niet mee

Op 3 oktober 2026 publiceerde KU Leuven de resultaten van een bevraging van meer dan 2.800 werknemers in de Belgische metaal- en textielindustrie: zij ervaren productiever werk, maar ook meer werkdruk en stress, terwijl ongeveer 70% nooit of zelden betrokken wordt bij de planning en invoering van nieuwe technologie; onderzoeker Yennef Vereycken zegt: “Technologie is niet vanzelf goed of slecht voor werknemers”.

De bevinding raakt aan de manier waarop een nieuwe toepassing het werk verandert. Een taak kan sneller gaan, terwijl werknemers er controles, informatieverwerking of andere verantwoordelijkheden bij krijgen. De enquête beschrijft wat de ondervraagden ervaren; zij meet geen productiecijfers van alle Belgische fabrieken. Ook zegt het verband tussen inspraak en minder stress op zichzelf nog niet dat inspraak de enige oorzaak van dat verschil is.

Digitale ondersteuning kan het werk verzwaren

Vooral informatie- en communicatiesystemen die werknemers moeten ondersteunen, gaan in de bevraging geregeld samen met een hogere belasting. De ondervraagden noemen meer taken, grotere complexiteit en extra druk. Daardoor vertelt een snellere handeling maar een deel van het verhaal: de tijd die een systeem bespaart, kan verdwijnen in het verwerken van informatie of het opvolgen van nieuwe stappen.

Het maakt voor de werkdag uit welke taak door de technologie verandert. Een toepassing die informatie sneller beschikbaar maakt, kan tegelijk vragen dat iemand vaker registreert, reageert of tussen werkzaamheden wisselt. Dat zijn mogelijke mechanismen achter de gemelde technostress, geen vaststaand verloop bij iedere machine of elk digitaal systeem. De gevolgen hangen ook af van de ruimte die werknemers krijgen om het werk rond de toepassing te organiseren.

De verschillen tussen werknemers maken die vraag concreter. Hoger opgeleiden, bedienden en kaderleden ervaren technologie vaker als ondersteuning. Arbeiders en lager opgeleiden melden vaker een zwaardere en ingewikkeldere werkdag. Een werkgever kan dus een productiviteitswinst ervaren terwijl juist de mensen die het nieuwe proces dagelijks uitvoeren meer belasting rapporteren. Een gemiddeld oordeel over de invoering verhult dat verschil.

Weinig inspraak, minder grip op de werkdag

De grote groep die zelden of nooit bij de invoering wordt betrokken, heeft weinig gelegenheid om gevolgen voor het eigen werk te benoemen voordat de werkwijze vastligt. Werknemers die wél betrokken zijn, rapporteren in de bevraging systematisch minder werkdruk en stress. Dat is een samenhang tussen antwoorden, geen bewijs dat overleg op zichzelf de klachten wegneemt: functies, toepassingen en bedrijven kunnen eveneens verschillen.

Voor werkgevers en werknemersvertegenwoordigers ligt de betekenis van die uitkomst in de beslissingen vóór de ingebruikname. Wie de taak uitvoert, kan aangeven welke handelingen verdwijnen, welke erbij komen en hoeveel aandacht een nieuwe werkwijze vraagt. Als zulke informatie pas na de keuze van een systeem op tafel komt, is het moeilijker om de inrichting van het werk nog aan te passen. Inspraak gaat daarmee verder dan uitleg over het bedienen van de technologie.

Ook na de invoering blijft de verdeling van taken bepalend. Een toepassing kan technisch goed werken en toch extra opvolging of correcties vragen van medewerkers die daar geen tijd voor hebben gekregen. Het onderzoek wijst daarom naar de combinatie van ontwerp, invoering en werkorganisatie. De ervaren efficiëntiewinst is relevant, maar vertelt zonder de belasting van de gebruikers weinig over de kwaliteit van hun werkdag.

Vertrouwen in privacy zegt weinig over inzicht in data

De mededeling van ACV-CSC METEA vermeldt dat 30% van de ondervraagden de eigen gegevens kan raadplegen, 25% weet wat de werkgever met verzamelde data doet en 90% denkt dat zijn privacy wordt gerespecteerd; over werkgelegenheid verwacht 40% een daling van het aantal banen, terwijl eveneens 40% geen verandering of een stijging verwacht. Het privacyvertrouwen en het inzicht in gegevensverwerking meten verschillende zaken: iemand kan erop vertrouwen dat een werkgever zorgvuldig handelt zonder te weten welke gegevens een toepassing vastlegt.

Bij het privacycijfer past terughoudendheid. Een analyse van Nxt Generation News signaleert tegenstrijdige passages over dat percentage in het volledige onderzoeksrapport en wijst erop dat de rapportomschrijving van de onderzochte sectoren afwijkt van die in de bekendmaking. Het hoge vertrouwenspercentage is daarom het best te lezen als een cijfer uit de bekendmaking, niet als sluitend beeld van wat werknemers over hun gegevens weten.

Juist bij groepen die meer werkdruk melden, is dat gebrek aan inzicht relevant. Arbeiders en lager opgeleiden zijn minder goed geïnformeerd over hun rechten, terwijl over hen volgens de onderzoeksbekendmaking meer persoonsgegevens worden verzameld. Voor overleg over een nieuwe toepassing zijn dan concrete vragen van belang: welke gegevens ontstaan tijdens het werk, wie kan ze zien en waarvoor worden ze gebruikt? Zonder die uitleg blijft vertrouwen losstaan van de dagelijkse gevolgen van het systeem.

Baanverwachtingen maken opleiding onderdeel van het overleg

De uiteenlopende verwachtingen over banen zijn geen voorspelling van werkelijk banenverlies. Ze laten wel zien dat werknemers verschillend inschatten wat de technologische verandering voor hun werk zal betekenen. Voor iemand die een taak ziet verschuiven, is de directe vraag welke werkzaamheden blijven, welke nieuwe vaardigheden nodig zijn en of er tijd beschikbaar is om die te leren.

ACV-CSC METEA wil dat werknemers en hun vertegenwoordigers vanaf het begin meepraten over opleiding, werkbaarheid en gevolgen voor banen. Daarmee komen de vragen uit de bevraging samen in één gesprek: de nieuwe toepassing moet worden beoordeeld op haar bijdrage aan de productie, de extra belasting tijdens het werk en de mogelijkheden van werknemers om zich aan de verandering aan te passen. Opleiding helpt daarbij alleen als ook duidelijk is wanneer en binnen welke werktijd mensen het nieuwe proces leren.

Voor de betrokken werknemers krijgt de technologische verandering uiteindelijk vorm in hun dagelijkse taken. Wanneer een sneller proces samengaat met extra registratie, minder invloed of onduidelijkheid over gegevens, kan de ervaren winst voor de fabriek een zwaardere werkdag opleveren. De afspraken over taken, leertijd en toegang tot gegevens bepalen hoe die winst op de werkvloer terechtkomt.

Lees ook:

Delen:

Abonneer je op onze nieuwsbrief

Ontvang het laatste nieuws over Web3, AI en crypto rechtstreeks in je inbox.

0