
Volgens Inetum verwacht 48% van Belgische managers banenverlies door AI

In de Belgische publicatie van Inetum van 27 oktober 2026 staat dat 48% van de ondervraagde leidinggevenden netto banenverlies door AI in hun sector verwacht en 32% vreest ooit zelf te worden vervangen; de online enquête onder 600 Belgische besluitvormers liep van 17 tot en met 26 maart 2026. De cijfers beschrijven verwachtingen over toekomstige banen, geen geregistreerde ontslagen.
Dezelfde groep ziet AI al op het werk terug: veel deelnemers ervaren een hogere productiviteit, maar een aanzienlijk deel gebruikt de technologie zonder dat aan collega’s of de werkgever te melden. Daardoor gaat de vraag voor Belgische teams verder dan hoeveel banen er mogelijk verdwijnen. Ze raakt ook aan het werk dat nu met AI wordt gedaan en aan de afspraken daarover.
Meer vrees voor sectorbanen dan voor de eigen functie
De twee vragen over banen gaan over verschillende gevolgen. Netto banenverlies in een sector betekent dat deelnemers verwachten dat er uiteindelijk minder functies overblijven, ook als er nieuwe taken ontstaan. De vraag over vervanging van de eigen functie gaat over hun persoonlijke positie. Wie verwacht dat een afdeling in de toekomst minder mensen nodig heeft, hoeft daarom niet te denken dat de eigen rol verdwijnt.
De vergelijking van ICTMagazine plaatst de Belgische antwoorden naast die van andere onderzochte landen: sectorale banenverliezen worden verwacht door 55% in Spanje, 58% in Frankrijk en 66% in Portugal; vervanging van de eigen functie vreest daar respectievelijk 38%, 38% en 41%. Ook buiten België liggen de antwoorden over de sector dus hoger dan die over de eigen baan.
Voor personeelsplanning is dat onderscheid wezenlijk. Een gesprek dat alleen over individuele baanzekerheid gaat, kan zorgen over minder toekomstige vacatures of veranderende taken missen. Omgekeerd laat een verwachting over de hele sector niet zien welke functies binnen een bepaald bedrijf zullen veranderen. De enquête beschrijft wat de ondervraagde besluitvormers voorzien; ze meet geen ontwikkeling van de Belgische werkgelegenheid.
Productiviteitswinst en verborgen AI-gebruik

HR-directeur Eva Monsaert zegt in Made in: “De AI-transformatie in bedrijven slaagt of faalt niet op de technologie zelf, maar op de manier waarop organisaties hun medewerkers meenemen”; de publicatie vermeldt ook dat 75% van de Belgische deelnemers een hogere productiviteit ervaart, 64% betere werkomstandigheden meldt, 47% AI soms zonder melding gebruikt en 18% niet-goedgekeurde software of tools inzet.
Die antwoorden horen bij dezelfde onderzochte groep, maar zeggen niets over de overlap tussen afzonderlijke respondenten. Het is dus niet bekend hoeveel deelnemers tegelijk productiviteitswinst ervaren en hun AI-gebruik verborgen houden. Wel maken de uitkomsten duidelijk dat ervaren nut en openheid over gebruik afzonderlijke onderwerpen zijn: een toepassing kan het werk helpen terwijl collega’s niet weten dat zij is ingezet.
Verborgen gebruik en niet-goedgekeurde tools zijn evenmin hetzelfde. Een toegestane toepassing kan buiten het zicht van een team worden gebruikt; een niet-goedgekeurde tool kan juist openlijk ter sprake komen. De percentages optellen zou daarom een misleidend beeld geven. Voor een organisatie ontstaan twee verschillende vragen: welke toepassingen zijn toegestaan, en bij welke taken moet het gebruik ervan kenbaar worden gemaakt?
Ook de gemelde productiviteit heeft een duidelijke grens. De deelnemers geven hun eigen ervaring weer; de enquête rapporteert geen meting van output per gewerkt uur. Hun antwoorden laten zien waar zij voordeel ervaren, maar bieden geen berekening van de tijdwinst van een team. Dat verschil telt wanneer een werkgever verwachtingen over sneller werk wil vertalen naar bezetting of taakverdeling.
Wat de Belgische steekproef wel beschrijft

De Belgische deelnemers waren besluitvormers die betrokken zijn bij digitale verandering en AI. De onderzochte beroepsgroepen omvatten leidinggevende en gespecialiseerde functies; beroepen in het onderwijs vielen buiten de Belgische selectie. De uitkomsten zeggen daarmee iets over deze afgebakende groep en kunnen niet rechtstreeks worden toegeschreven aan alle werknemers in België.
Voor de nationale steekproeven zijn quota gebruikt voor onder meer geslacht, leeftijd, regio, sector en bedrijfsgrootte. Dat helpt om binnen de gekozen doelgroep uiteenlopende profielen op te nemen. Het neemt de afbakening van die doelgroep niet weg: medewerkers zonder beslissende rol kunnen anders denken over hun eigen baan, het gebruik van AI en de regels op hun werk.
De antwoorden zijn bovendien verzameld in het voorjaar, maanden voordat de Belgische resultaten werden gepubliceerd. Het gaat om één meetronde. Daaruit valt niet af te leiden of de bezorgdheid sindsdien is gestegen of gedaald. Een volgende bevraging of gegevens over vacatures en werkgelegenheid zouden daarvoor een andere soort informatie moeten leveren.
Welke gesprekken de uitkomsten op het werk oproepen
Voor teams ligt een concreet gesprekspunt bij de taken waarvoor AI al wordt gebruikt. Als een medewerker er een rapport mee voorbereidt of een antwoord voor een klant opstelt, maakt het verschil wie de uitkomst controleert voordat die wordt gedeeld. Ook moet duidelijk zijn welke informatie in een toepassing mag worden ingevoerd. Zulke afspraken gaan over het huidige werk, terwijl de verwachting van sectorale banenverliezen over de toekomst gaat.
Een tweede gesprekspunt is zichtbaarheid. Een werkgever kan toepassingen goedkeuren zonder dat collega’s weten wanneer AI aan een resultaat heeft bijgedragen. Een afspraak over melden moet daarom aangeven voor welke werkzaamheden dat relevant is en aan wie de melding wordt gedaan. Dat maakt de herkomst van werk bespreekbaar zonder ieder klein gebruik op dezelfde manier te behandelen.
Voor zelfstandigen die voor een organisatie werken, loopt dezelfde kwestie langs de grens tussen hun eigen werkwijze en die van de opdrachtgever. Het is nuttig om vooraf vast te leggen welke AI-toepassingen bij de opdracht passen, of informatie van de opdrachtgever mag worden ingevoerd en wanneer AI-gebruik bij de oplevering vermeld moet worden. Zo kunnen beide partijen het resultaat en de verantwoordelijkheid ervoor beoordelen op basis van het werk dat daadwerkelijk is uitgevoerd.
De directe consequentie van de enquête is dat gesprekken over AI en banen meer precisie vragen. Een verwachting over minder functies in een sector, de ervaring dat taken sneller gaan en het gebruik van tools buiten het zicht van anderen vragen elk om een ander antwoord binnen een team. Pas wanneer die onderwerpen afzonderlijk op tafel liggen, wordt duidelijk welke verandering medewerkers nu al meemaken.
Lees ook:
Gerelateerde artikelen


EU-creators leveren €8,4 miljard op, maar 65% mist subsidie

AI bespaart tijd, maar 85% van kenniswerkers krijgt juist méér werk

Privé-AI sluipt het werk in: slechts 39% kent de bedrijfsregels

AI-vaardigheden verdrievoudigen in vacatures, Nederland blijft achter

64% van Nederlandse bedrijven plant groei, ondanks onzeker AI-effect
Abonneer je op onze nieuwsbrief
Ontvang het laatste nieuws over Web3, AI en crypto rechtstreeks in je inbox.