
ETF of beleggingsfonds: de laagste fondskosten kunnen toch duurder uitvallen

Een ETF met lagere lopende fondskosten kan bij kleine maandelijkse aankopen toch duurder uitvallen dan een traditioneel indexfonds. De AFM onderscheidt kosten van het beleggingsproduct van kosten voor de dienstverlening, waaronder transactiekosten. Voor een periodieke belegger tellen dus zowel het jaarlijkse fondspercentage als de prijs van iedere aankoop.
Welke vorm goedkoper is, hangt af van twee concrete fondsen, de aanbieder en de grootte van de maandelijkse inleg. Vergelijk bij voorkeur fondsen met vergelijkbare beleggingen en risico’s. Een lage kostenquote van de ETF zegt weinig als de vergelijking tegelijk een andere index, een andere spreiding of een duurder aankoopkanaal betreft.
Vergelijk eerst dezelfde belegging
Een ETF is zelf ook een fonds. De relevante keuze is hier die tussen een beursverhandelde ETF en een traditioneel fonds dat doorgaans via een bank of aanbieder wordt gekocht. Beide kunnen passief een index volgen; actief beheer is een afzonderlijk verschil dat je niet aan de handelsvorm moet toeschrijven.
Voor een zuivere kostenvergelijking kies je bijvoorbeeld twee aandelenfondsen die ongeveer dezelfde markt volgen. Kijk vervolgens naar hun index, de beleggingen die ze uitsluiten, het dividendbeleid en de kosten van het fonds zelf. Anders kan een verschil in beleggingsresultaat ten onrechte worden uitgelegd als een gevolg van de beursnotering.
Lopende fondskosten drukken doorlopend op de fondswaarde. Een klein verschil in het jaarlijkse percentage gaat daarom in euro’s zwaarder wegen wanneer het opgebouwde vermogen groeit. Een vast ordertarief heeft het omgekeerde patroon: het neemt meteen een relatief groot deel van een kleine maandelijkse aankoop in beslag.
Het handelsmoment bepaalt mede de aankoopkosten
Een traditioneel indexfonds wordt doorgaans eenmaal per beursdag tegen een op basis van de intrinsieke waarde vastgestelde prijs verhandeld. Bij de meeste ETF’s kun je tijdens beursuren kopen of verkopen tegen een bied- of laatprijs. Daardoor kun je bij een gewone ETF zelf een handelsmoment of limiet kiezen, terwijl een fondsorder pas op het vaste waarderingsmoment wordt uitgevoerd.
Bij Rabobank is het transactietarief voor indexfondsorders onder € 10.000 lager dan voor gewone ETF-orders; de bank noemt tien ETF’s die wel periodiek kunnen worden aangekocht, eenmaal per dag worden verhandeld en hetzelfde transactietarief als indexfondsen hebben. Dat is een voorbeeld van hoe de uitvoering bij één aanbieder de vergelijking verandert, niet een tariefregel voor alle ETF’s.
Een vaste uitvoeringsprijs vooraf kennen beleggers bij een traditioneel fonds niet: de waarde wordt voor het handelsmoment bepaald. Een beursorder geeft meer controle over de gewenste prijs, maar uitvoering tegen die prijs is niet verzekerd. Voor een maandelijkse aankoop met een lange horizon kan het vaste handelsmoment volstaan; wie een specifieke koers wil kiezen, kan het verschil in handelswijze belangrijker vinden.
Spread en hele stukken drukken op kleine bedragen
Bij een gewone ETF komt naast een eventueel ordertarief het bied-laatverschil: het verschil tussen de koopprijs en de verkoopprijs op de beurs. Volgens justETF hangt de breedte van die spread onder meer samen met de verhandelbaarheid van de ETF. De spread is een handelskostenpost, geen jaarlijks percentage dat ieder jaar opnieuw op het hele vermogen wordt toegepast.
Bij een latere verkoop speelt de dan geldende spread opnieuw mee. Hoe groot het verschil uiteindelijk is, weet je vooraf niet: koersen en spreads bewegen, terwijl ook het gekozen handelsmoment uitmaakt. Een vergelijking op basis van alleen de lopende fondskosten laat deze prijs bij aan- en verkoop buiten beeld.
Ook de hoeveelheid die je kunt kopen is relevant. Bij een traditioneel indexfonds kun je vaak een geldbedrag opgeven; een gewone ETF-order wordt doorgaans in aantallen stukken geplaatst. Biedt de aanbieder geen fractionele stukken aan en is de stukprijs hoger dan het resterende maandbedrag, dan blijft dat bedrag staan tot een volgende aankoop. Het is geen afgeschreven vergoeding, maar het geld is intussen ook niet belegd. Een rekensom die iedere maand de volledige inleg als belegd behandelt, past dan niet precies bij die aankooproute.
Dezelfde maandinleg over één, tien en twintig jaar

Een volledig fictief rekenvoorbeeld laat zien wanneer het kostenvoordeel kan omslaan. Stel dat iedere maand voor € 100 aan fondswaarde wordt aangekocht en de kosten apart worden betaald. De ETF heeft in dit voorbeeld 0,20% jaarlijkse lopende kosten; het indexfonds 0,35%. Iedere ETF-aankoop kost daarnaast € 1 per order en 0,05% van het aankoopbedrag als benadering van de afstand tussen koopprijs en het midden van de bied- en laatkoers. De fondsaankoop heeft geen orderkosten. Dit zijn aannames, geen tarieven van bestaande producten.
Voor beide fondsen blijft de waarde in de som gelijk: er wordt geen rendement verondersteld en de aankoop vindt aan het begin van iedere maand plaats. De lopende kosten worden eenvoudig berekend over de maandelijkse opgebouwde bedragen, zonder eerdere kosten van het saldo af te trekken. De uitkomsten zijn daardoor een vergelijking van kostenmechanismen, geen voorspelling van het saldo op een toekomstige datum.
- Na één jaar is in totaal € 1.200 aangekocht. De berekende kosten bedragen ongeveer € 13,90 voor de ETF en € 2,28 voor het indexfonds. De twaalf vaste ETF-orders veroorzaken vrijwel het hele verschil.
- Na tien jaar is € 12.000 aangekocht. De kosten komen uit op ongeveer € 247 voor de ETF en € 211,75 voor het indexfonds. De lagere jaarlijkse fondskosten hebben de extra aankoopkosten dan nog niet ingehaald.
- Na twintig jaar is € 24.000 aangekocht. De berekende kosten zijn ongeveer € 734 voor de ETF en € 843,50 voor het indexfonds. Bij deze aannames weegt het lagere jaarlijkse percentage uiteindelijk zwaarder.
Een lager ordertarief kan het omslagpunt vervroegen; een bredere spread of een kleiner verschil in lopende kosten kan het uitstellen. Aankopen bundelen vermindert het aantal vaste orderkosten, maar stelt de belegging van een deel van de maandelijkse inleg uit. Deze rekensom veronderstelt bovendien dat steeds het volledige bedrag kan worden aangekocht. Wie alleen hele ETF-stukken kan kopen, bereikt niet noodzakelijk hetzelfde aankoopritme.
Dividend en andere kosten kunnen de rangorde wijzigen

Bij aandelenfondsen kan op ontvangen dividend buitenlandse bronbelasting drukken die het fonds niet volledig kan terughalen. De uitleg van VanEck beschrijft deze dividendlekkage voor zowel ETF’s als actieve beleggingsfondsen en bespreekt de mogelijkheid van verrekening voor Nederlands belastingplichtigen bij daarvoor kwalificerende fondsen. De fiscale structuur van het concrete fonds doet er dus meer toe dan alleen de naam ETF of beleggingsfonds.
Voor beleggers in Vlaanderen kan de Nederlandse fiscale behandeling niet zonder meer worden overgenomen. De Belgische FSMA noemt naast doorlopende fondskosten onder meer mogelijke instap- en uitstapkosten, bewaarloon en een beurstaks bij bepaalde fondsverrichtingen. Welke posten gelden, hangt af van het fonds en de aanbieder.
Dividendverschillen, belastingen, kosten bij verkoop en platformkosten zijn bewust niet met verzonnen bedragen aan het rekenvoorbeeld toegevoegd. Ze kunnen een werkelijke vergelijking wel verschuiven. Bij fondsen die dezelfde index volgen, biedt hun verschil met die index aanvullende informatie over wat na fondsuitgaven en dividendbehandeling voor beleggers overblijft.
Welke vorm past bij periodiek beleggen?
Bij een kleine vaste maandinleg kan een traditioneel indexfonds goedkoper uitvallen wanneer het volledige bedrag automatisch en tegen lage aankoopkosten wordt belegd. Een ETF kan over een langere periode goedkoper worden als de orderkosten beperkt zijn en het lagere jaarlijkse kostenpercentage lang genoeg doorwerkt op het opgebouwde vermogen. Het fictieve voorbeeld laat zien waarom geen van beide vormen op basis van alleen de fondskosten wint.
Voor de uiteindelijke keuze horen de tarieven van de eigen bank of broker en de gegevens van de concrete fondsen bij elkaar: lopende kosten, kosten per aankoop en verkoop, spread, eventuele andere fonds- of platformkosten en de mogelijkheid om het hele maandbedrag te beleggen. De handelswijze bepaalt daarnaast hoeveel controle je hebt over het aankoopmoment.
Lees ook:
Gerelateerde artikelen


AI-ETF of chip-ETF: 52 posities tegenover 80% in de top tien

Nasdaq-100 of World IT: de ‘bredere’ tech-ETF bevat juist minder IT

STAK of aandelenopties: controle houden verschuift de belasting niet vanzelf

ABP stopt €250 miljoen in scale-upfonds, maar EQT kiest de winnaars

Crowdcube of Republic Europe: 2,5% is pas het begin van het risico
Abonneer je op onze nieuwsbrief
Ontvang het laatste nieuws over Web3, AI en crypto rechtstreeks in je inbox.