
Leonardo AI beter sturen: een referentiebeeld is geen exacte kopie

Voor voorspelbaardere beelden in Leonardo.Ai beschrijf je eerst het onderwerp en de gewenste scène. Kies daarna een referentie voor wat herkenbaar moet blijven: de uitstraling, de algemene vorm of het personage. De Image Guidance-handleiding onderscheidt daarvoor Style, Content en Character Reference. Ook bij een hoge sterkte blijft het bronbeeld een vorm van sturing, geen exacte kopie.
Zet de gewenste eigenschappen in de positieve prompt en gebruik negatieve termen voor concrete fouten die daarna nog optreden. De promptgids van Leonardo.Ai noemt negatieve prompts zachte beperkingen: ongewenste kenmerken worden minder waarschijnlijk, maar verdwijnen niet gegarandeerd. Een beschrijving van een gladde, strak gevormde pet geeft daarom meer richting dan alleen ‘plooien’ in het negatieve veld.
Welk deel van het referentiebeeld moet terugkomen?
Style Reference stuurt de visuele uitstraling. Bij een reeks met verschillende onderwerpen kan zo dezelfde manier van vormgeven terugkomen. Een sterke stijlreferentie kan ook ongewenste kenmerken uit het voorbeeld meenemen, zoals trekken van een afgebeeld gezicht. Verschijnt zo’n detail in een beeld waarin het niet thuishoort, verlaag dan de sterkte of geef het eigenlijke onderwerp meer nadruk in de prompt.
Content Reference richt zich vooral op de algemene vormen en inhoud van het voorbeeld. Kleur, textuur en kleine details worden doorgaans niet op dezelfde manier overgenomen. Dat is bruikbaar wanneer een product ongeveer dezelfde vorm moet houden in een andere omgeving; voor een precies logo of een exacte gelijkenis is deze modus geen betrouwbare borging. Gaat het juist om de plaatsing en contouren in het bronbeeld, dan sluit Edge of Sketch beter aan bij dat doel.
Character Reference is bedoeld om de gelijkenis van een personage te sturen. Beschrijf herkenbare uiterlijke kenmerken ook in woorden, vooral wanneer de afbeelding van buiten Leonardo.Ai komt. De functie werkt volgens de productuitleg doorgaans beter met gegenereerde personages, kan moeite hebben met niet-menselijke onderwerpen en gebruikt binnen deze modus één personagebeeld tegelijk. Een wisselende pose of omgeving kun je vervolgens in de prompt opgeven.
Schrijf eerst wat het beeld wél moet tonen
Begin met onderwerp, handeling of positie en omgeving. Voeg eigenschappen toe die voor dit beeld tellen, zoals materiaal, kleur, zichtbare details en uitsnede. ‘Een pet’ laat veel keuzes aan het model over. Voor een denkbeeldig productbeeld is ‘een zwarte baseballpet met een gladde, strak gevormde kruin, afzonderlijk afgebeeld tegen een rustige achtergrond’ een gerichtere opdracht.
Gebruik het negatieve veld, als het gekozen model dat ondersteunt, voor waarneembare restfouten. Bij die pet kunnen ‘plooien, kreukels, onregelmatige stiksels’ nuttiger zijn dan ‘slechte kwaliteit’. Benoem het ongewenste kenmerk zelf in plaats van een verbod als ‘geen plooien’ te formuleren. Controleer ook of de uitsluiting niet botst met de positieve prompt: een ruwe stofstructuur vragen en tegelijk alle onregelmatige textuur uitsluiten geeft tegenstrijdige aanwijzingen.
Een prompt hoeft niet zoveel mogelijk bijvoeglijke naamwoorden te bevatten. Kies woorden die een zichtbare beslissing vastleggen. Als zowel een effen productbeeld als een achtergrond vol decoratieve voorwerpen wordt gevraagd, is onduidelijk welke eis voorrang krijgt. Houd de beschrijving van het hoofdonderwerp gelijk wanneer je verschillende referentiemodi probeert; dan wordt duidelijker welke verandering van de referentie komt.
Recepten voor product, stijl en personage
Productbeeld. Stel dat de vorm van een zwarte baseballpet herkenbaar moet blijven, terwijl kleur, materiaalpresentatie en achtergrond veranderen. Gebruik Content Reference voor die globale vorm en beschrijf de nieuwe eigenschappen in de positieve prompt. Vraag bijvoorbeeld om een gladde kruin tegen een rustige achtergrond. Kijk bij een product dat precies moet worden afgebeeld ook naar naden, merktekens en verhoudingen: een referentie voor inhoud legt zulke details niet vast.
Vaste stijl. Kies Style Reference als een reeks over verschillende onderwerpen dezelfde uitstraling moet krijgen. Houd het stijlvoorbeeld en de beschrijving van die uitstraling gelijk, maar verander per beeld bewust het onderwerp. Duikt een gezicht, kledingstuk of ander motief uit het voorbeeld onbedoeld op, verminder dan eerst de invloed van de referentie. Extra negatieve termen pakken de oorzaak van een te dominante stijlreferentie niet altijd aan.
Terugkerend personage. Gebruik Character Reference voor de gelijkenis en schrijf op welke kenmerken herkenbaar moeten blijven, bijvoorbeeld kapsel, gezichtsvorm en kleding. Verander per opdracht alleen wat werkelijk moet variëren, zoals de handeling of de omgeving. Content Reference kan een algemene vorm meenemen, maar is geen vervanging wanneer juist de identiteit van het personage telt. Beoordeel de gelijkenis aan de hand van de kenmerken die voor de reeks essentieel zijn.
Waar komt een afwijking vandaan?
- Het onderwerp klopt, maar het beeld neemt ook een ongewenst motief uit het stijlvoorbeeld over. Verlaag de sterkte van Style Reference of kies een voorbeeld zonder dat motief.
- De vorm klopt, maar kleur of textuur wijkt af. Geef die eigenschappen expliciet op in de positieve prompt; Content Reference draagt ze doorgaans niet betrouwbaar over.
- Een personage verandert te veel tussen beelden. Controleer of Character Reference is gekozen en beschrijf de herkenbare uiterlijke kenmerken nauwkeuriger.
- Een klein ongewenst detail blijft verschijnen. Formuleer eerst de gewenste toestand positief en voeg, indien beschikbaar, een precieze negatieve term toe.
Pas bij een nieuwe poging liefst één sturend onderdeel tegelijk aan: de tekst, het referentiebeeld of de sterkte. Zo kun je een verbetering beter aan een wijziging verbinden. Als de bron zelf ongewenste vormen of gezichten bevat, is een geschikter referentiebeeld vaak zinvoller dan dezelfde bron steeds zwaarder laten meewegen.
De gekozen modelmodus bepaalt de mogelijkheden
Beschikbare referentietypen en combinaties verschillen per model en abonnement. Controleer daarom in de actieve beeldtool welke opties selecteerbaar zijn. Een grijze optie kan om een andere modelkeuze of werkwijze vragen. Vooral bij oudere modi is het belangrijk om niet uit de naam van een functie af te leiden dat zij in iedere configuratie werkt.
Bij Omni-modellen kun je beelden ook met gewone taal verschillende rollen geven. De uitleg over Omni-modellen adviseert concreet te beschrijven hoe referenties samenkomen, bijvoorbeeld welk beeld het personage levert en welk beeld de sfeer bepaalt. Het aantal toegestane beelden hangt van het model af. Benoem bij zo’n opdracht eveneens welke kenmerken behouden moeten blijven en wat juist mag veranderen.
Lees ook:
Gerelateerde artikelen


Privé-AI sluipt het werk in: slechts 39% kent de bedrijfsregels

RAG evalueren met Ragas: meet ophalen en antwoorden apart

Personio koopt Circula: hr en personeelsuitgaven schuiven in elkaar

Gestructureerde AI-output: geldig JSON is nog geen geldig schema

Nasdaq-100 of World IT: de ‘bredere’ tech-ETF bevat juist minder IT
Abonneer je op onze nieuwsbrief
Ontvang het laatste nieuws over Web3, AI en crypto rechtstreeks in je inbox.